Afbeelding

Op krukken

 

Je maakt een smak met je fiets en daar lig je dan. Overeind krabbelen gaat niet meer, dus dan maar 112 gebeld. Na een half uur arriveert een ambulance. Die brengt je naar het ziekenhuis. Daar worden foto’s gemaakt die laten zien dat je heup gebroken is. Als je het niet dacht. Shit happens. De volgende dag word je geopereerd, de chirurg zet de breuk met drie flinke pinnen vast. En dan weer fluks het bed uit en bewegen maar met dat been en met die heup! Auwa, dat doet pijn!

Zo strompel ik nu dus alweer een tijdje moeizaam op krukken door het leven. Mijn actieradius is beperkt en ik heb nog een lange revalidatieperiode te gaan. Het allervervelendst: de eenvoudigste dingen die je opeens niet meer kunt (met een kopje koffie van de keuken naar de kamer lopen, bijvoorbeeld) en die je dan aan je partner moet vragen. De gruwel van het afhankelijk zijn.

Tja, wat kan ik nog? Eropuit gaan is er voorlopig niet bij. Ik maak (zittend) wat foto’s van de vogels in mijn tuin, doe mijn oefeningen en lees In Europa van Geert Mak en Anni interessanti, de autobiografie van historicus Eric Hobsbawm. In het Italiaans, dat houdt de geest scherp.

Maar uiteindelijk komt alles goed. Dan smijt ik de krukken weer aan de kant. Every cloud has a silver lining en zelfs Donald Trump blijft niet eeuwig president van de Verenigde Staten.

Tot betere tijden!

collage

Meneer en mevrouw Vink in mijn achtertuin

Een teer gestel?

9_1325183168

Olivier B. Bommel

 

Een van de grootste (anti)helden uit de Nederlandse literatuur wiens avonturen mij tot op de dag van vandaag ongemeen boeien, is Olivier B. Bommel: een fijnbesnaarde en gevoelige heer van stand die vanwege zijn teer gestel ons aller consideratie verdient. Vindt hij zelf.

Maar ach! Heer Bommel moet als beer door het leven, en zijn zelfbeeld verdraagt zich met zijn beer-zijn slecht. Heten beren in de volksmond niet lomp en ongelikt te zijn? En een teer gestel hebben ze meestal ook niet. Laten we daarom heer Bommel niet op zijn woord geloven en proberen de ware heer Bommel op het spoor te komen, de Bommel die schuilgaat achter het rookgordijn van flatteuze adjectieven dat hij rondom zichzelf heeft opgetrokken.

Wie is heer Bommel werkelijk? Wat zijn z’n belangrijkste karaktereigenschappen? Hoe hangen die samen met zijn sociale positie en achtergrond? Welke psychologische motieven sporen hem aan tot het verrichten van zijn heldendaden?

Prr

professor Prlwytzkofski

Kijk, dat zijn boeiende, wetenschappelijke vragen, een doctorandus Zielknijper of professor Prlwytzkofski waardig. Zal het ons lukken de complexe karakterstructuur van heer Bommel te ontrafelen en wetenschappelijk adequaat te beschrijven?

We zullen zien.

In de Bommelsaga zegt het dierenkostuum waarin de figuren optreden veel over hun eigenschappen: de markies de Cantecler is niet voor niets zo verwaand en hooghartig, hij is immers een haan. Vanzelfsprekend kan de trouwe bediende Joost slechts als hond worden afgebeeld, zoals ook de meeste overheidsdienaren (Bullebas, Dorknoper) honden zijn. Wammes Waggel is, zoals het een echte gans betaamt, dom en oppervlakkig en ook heer Bommel bezit -naast andere- een reeks van eigenschappen die vooral bij zijn beer-zijn passen. Hij is niet, zoals hij zelf denkt, fijnbesnaard en gevoelig, maar in zijn optreden veeleer lomp en onhandig, en hoewel in principe goedig van aard, ook nogal opvliegend. Ook zijn niet al te grote schranderheid past goed bij zijn beer-zijn.

En al deze eigenschappen, gecombineerd met een chronische neiging zichzelf te overschatten, leiden ertoe dat heer Bommel zich voortdurend in de nesten werkt. En zit hij weer eens in de problemen, dan vervalt hij onveranderlijk in larmoyant getob en huilerig zelfbeklag: Ach hoe vreselijk is dit alles. Doe dan toch iets Tom Poes, verzin een list!

 Niet alleen het feit dat heer Bommel een beer is, ook zijn sociale achtergrond en status verraden veel over zijn persoonlijkheid. Heer Bommel is rijk, zo rijk dat geld voor hem geen rol speelt. Maar hij heeft zijn geld niet zelf verdiend: het is het vermogen van zijn goede, lang overleden vader dat hij langzaam opsoupeert, ook al lijkt er aan zijn fortuin nooit een eind te willen komen.

Een sluimerend schuldbesef is het gevolg van dit rentenierende, vegeterende en in wezen lege bestaan, en om die leegte in zijn onproductieve leven op te vullen raakt heer Bommel regelmatig vervuld van een lovenswaardige, niet te stuiten drang zichzelf nuttig te maken.

Zo neemt heer Bommel onophoudelijk taken op zich. Dat de rol van opvoeder van de jeugd (zie de Zwelbast) hem op het lijf geschreven is, spreekt vanzelf. Maar dat is wel het minste. Ook als weldoener, als verlosser van in verdrukking geraakte volkstammen of, waarom niet, van heel de mensheid is heer Bommel zonder meer beschikbaar. Want het is hem eigen dat hij altijd en eeuwig te hoog grijpt: nooit is heer Bommel opgewassen tegen de taken die hij voor zichzelf ziet weggelegd en altijd weer neemt hij te veel hooi op zijn vork. Ach! Had ik maar beter naar Tom Poes geluisterd , verzucht heer Bommel dan als hij zich weer eens in de nesten heeft gewerkt. Maar dat is slechts schijn. De list van Tom Poes is nog niet geslaagd, of heer Bommel is alles alweer vergeten. Zo blijft zijn flatteuze zelfbeeld intact, ook al houdt het keer op keer voor de werkelijkheid geen stand.

Omdat heer Bommel eigenlijk niets kan, meent hij dat alle mogelijkheden voor hem open liggen. Omdat hij in wezen onbeduidend is, verbeeldt hij zich dat al het betekenisvolle binnen handbereik ligt. Daarin vergist hij zich, zoals gezegd, deerlijk, maar zonder ooit iets bij te leren. Zo blijft heer Bommel het eeuwige slachtoffer van zijn eigen streven beduidender te willen zijn dan hij is, en meer te willen dan hij kan.

markies

markies de Cantecler

Heer Bommels hardnekkige streven beduidender te willen lijken dan hij is, komt niet alleen tot uitdrukking in het lichtzinnig op zich nemen van allerlei taken zonder besef van de eigen beperkingen. De rentenierende parvenu die heer Bommel is, wil ook niets liever dan met de notabelen en de groten der aarde op voet van gelijkheid verkeren, en zijn onbeholpen pogingen zich een adellijke levensstijl aan te meten getuigen eveneens van zijn streven meer te willen lijken dan hij is. Maar de ware adel, in de persoon van de markies de Cantecler, doorziet het fijntjes en heeft voor de krampachtige pogingen van de parvenu er bij te horen slechts kille verachting over. Altijd weer wordt heer Ollie door de markies zijn plaats gewezen, en volgt de ene vernedering op de andere.

            “Hoe nu Bommel, zijt ge uit uw stamcafé geworpen?” Heer Ollie verbleekte (…) “Men werpt geen heren uit een café”, sprak hij uit de hoogte. “Nee, dat is waar”, gaf de markies toe, “maar dát heb ik ook niet beweerd.”

                                                                                                     (Wat enigjes, p.70)

En zo vloeien heer Ollies dadendrang, zijn hang naar avontuur en mooie taken die hij voor zichzelf ziet weggelegd, voornamelijk voort uit minderwaardigheids- en schuldgevoelens. Minderwaardigheidsgevoelens (de keerzijde van zijn grootheidswaanzin) die te maken hebben met zijn sociale status van parvenu, en met de onophoudelijke vernederingen die hij bij zijn pogingen daaraan te ontsnappen van de zijde van de markies moet ondergaan. En schuldgevoelens die voortvloeien uit zijn vegeterende, onproductieve leefwijze.

Dat alles schreeuwt er als het ware om gecompenseerd te worden, en daarom stort heer Bommel, daarbij niet in het minst gehinderd door een tot voorzichtigheid manend verstand, want dat bezit alleen Tom Poes, slechts geleid door verwarde gevoelens die hij voornamelijk stamelend en onsamenhangend tot uitdrukking brengt, zich keer op keer in nieuwe, halsbrekende avonturen die enkel goed aflopen omdat Tom Poes altijd wel ergens in de buurt is om een list te verzinnen en de schade te beperken 🙂